
De zon komt langzaam achter de berg vandaan en schuift steeds verder het dal in. Voor even lijkt het weer zomer, ook al is het officieel al herfst.
We schuiven de zijdeur open, kijken vanuit bed nog even naar het kabbelend riviertje, maar staan dan toch maar op om koffie te zetten. Vannacht was het best koud in het busje, ook al hadden we ’s avonds even de gaskachel aan. Onder de dekens was het goed. Maar onze neuzen waren ijsblokjes.
Terwijl ik slurpend aan mijn koffie wat in het water staar, zie ik ineens iets felblauws over het water flitsen. Een ijsvogeltje! Hoe leuk. En nog eens. Hij gaat van de hak op de tak, water in water uit, weg en weer terug. Ik draai m’n telelens op de camera en probeer het ijsvogeltje in beeld te krijgen. Onze Duitse buurvrouw van de rechterkant staat inmiddels ook aan het water met haar telelens, en algauw onze Hollandse buurvrouw van links ook. Paparazzo’s.

Het vogeltje is pijlsnel. Of ik te traag, dat kan ook. Ik krijg hem helaas niet in beeld als ie voorbij scheert met de volle zon erop. Enkel als ie even op een tak tussen de bladeren in de schaduw uitrust.
Na het ontbijt kan al gauw de lange broek gewisseld worden tegen een korte broek. Tegen de middag verplaatsen we zelfs onze stoelen naar de schaduwkant van de bus, omdat het gewoon veel te warm wordt in de zon. Het is ook nooit goed hè.
We zitten op een soort stadscamping. Via een smal steil straatje aan de rand van het centrum rijd je zo de camping op. Hoe groter de camper, hoe lastiger. Voor ons valt het mee. We hebben niks gereserveerd. Voor het geval we de thuis ‘zorgvuldig’ uitgekozen camping vre-se-lijk zouden vinden. We vinden het helemaal oke. We settelen ons op een van de vrije plekken naast het riviertje Kyll. Het is allemaal goed geregeld hier. Genoeg douches en toiletten, stroom, afwasplekken, noem maar op. Met stretchtenten en lampjes boven sommige gebouwen ziet het er supergezellig uit. We hoeven de navigatie niet in te stellen op de volgende camping van ons lijstje. We blijven hier 2 nachten.
Historisch gezien is Kyllburg een stad, maar met ongeveer 900 inwoners lijkt het meer een dorp. Deze middag gaan we te voet ‘de stad’ in. Het is warm en die steile klim nekt me bijna, maar gelukkig is het niet ver. Een bruisende stad kun je het niet noemen. Veel is er niet te doen. Een italiaans restaurant en de ‘kleinste biergarten van de hele wereld’. Beide zijn gesloten.





Bij terugkomst op de camping gaan we eerst maar vast onze 2 nachten betalen, en bestellen meteen wat broodjes voor morgenvroeg. Met een vuurschaal en een zak houtstammen wandelen we terug naar de bus. Zo, dat hebben we dan alvast voor vanavond. Nu nog te vroeg voor. Het is nog veel te warm buiten. ‘Effe een koffie en dan de andere kant het bos in voor een wandeling?’ stel ik voor. Oke, zegt Luc, en we hadden toch chocolaatjes he, voor bij de koffie, waar liggen die? ‘Ah ja, op dashboard nog, aan mijn kant’. Terwijl ik dat zeg krijg ik een vaag gevoel dat ik iets stoms heb gedaan. Hij opent het doosje met iets wat pralines zouden moeten zijn. We hebben de chocomelversie.
Aan de andere kant van de camping is bos. Via een tijdelijk bruggetje kun je naar de overkant waar verschillende wandelpaden zijn. We volgen er eentje en komen uiteindelijk weer in het stadje uit, maar dan in een ander deel. We kijken er wat rond en gaan dan weer het bos in.




Als ik een stukje verder tegen de berg omhoog kijk zie ik een pijl met “mooi uitzicht”. We zijn benieuwd. Zigzaggend volgen we een pad naar boven wat steeds minder belopen lijkt. Het laatste stuk is amper te doen. Het is steil en overwoekerd met netels. Deze ene keer heb ik gewoon mijn sneakers aan in plaats van de bergschoenen, maar ik wil niet opgeven. Ik wil dat mooie uitzicht. Luc geeft het wel op. Maar ik ben niet voorniks al zo ver gegaan, met mijn camera bungelend rond m’n nek. De netels zijn scherp, zeer scherp. Ik voel mijn onderbeen branden, maar hey…. alles voor het perfecte plaatje dadelijk. En als ik bij die uitzichtplek ben, zal er vast een beter pad naar beneden gaan. Ik bereik het plateautje vanwaar je een magnifiek uitzicht hebt over de stad. Dat was in ieder geval wat ik me ervan voorgesteld had. Je staat inderdaad hoog. Tussen de bomen, struiken en netels. En in de verte zie je wat huizen. En geen ander pad naar beneden. Ik roep naar Luc dat ie echt niet hoeft te komen voor het uitzicht, en ik sukkel zo goed en kwaad als ik kan door de netels hetzelfde pad weer naar beneden.

Terwijl ik dit typ is het avond geworden. De zon heeft plaats gemaakt voor een bijna volle maan en heldere sterren. En het is weer koud. Wel windstil, dus het vuur brandt mooi. Ik sla een dekentje om, en ga erbij zitten.