We worden maar langzaam wakker vandaag. We drinken koffie onder ons luifeltje, dat nog helemaal nat is van gisteren. Een waterig zonnetje probeert door te breken, maar het is nog fris. Niets wijst erop dat het vandaag weer heel warm gaat worden.
Ik lig aan de raamkant, en het eerste wat ik doe als ik wakker word is naar buiten kijken. Het is nog donker, maar vaag zie ik de contouren van de bergen, en een donkere vlakte daar tussenin. Ik sluit nog even mijn ogen, maar slapen lukt niet meer. Buiten beginnen de bergen steeds meer vorm aan te nemen. De donkere vlakte kleurt langzaam blauw. De zon begint op te komen, ik spring uit bed. Nu is dat springen niet echt letterlijk. In feite kruip ik over Luc heen, om dan met m’n benen over het randje bungelend, het afstapje zoekend, naar beneden te glijden.
Onderweg naar de volgende bestemming staar ik wat uit het raam en neem de omgeving in me op. Net als ik beslis dat ik Aragón niet zo fascinerend vind als Navarra, laat de regio zich plots van een andere kant zien. De weidse platte, en daardoor soms wat saaiere, uitzichten hebben plaats gemaakt voor ruigere rotsige kloven en ravijnen. Na bijna iedere bocht lijkt het landschap weer te wisselen. De droogte is wel overal zichtbaar, en zal hier regelmatig natuurbranden veroorzaakt hebben. We passeren verschillende bergwanden met zwartgeblakerde bomen. Al rijdend probeer ik wat foto’s te maken, (als passagier uiteraard, ik zit niet aan het stuur) stoppen doen we nu niet.
Een beetje misleidend is deze eerste foto wel. Na onze woestijntrip kozen we een camping uit, om al het stof eens goed weg te kunnen spoelen. M’n haren voelden bijna als dreadlocks. We belanden in Ejea de los Caballeros, een gemeente in de regio Aragon.
Al voor de klok van 8 uur sta ik koffie te zetten. We drinken er snel eentje, en de rest is om mee te nemen voor onderweg. We gaan naar Bardenas Reales, een natuurgebied een klein eindje verderop. Bij een informatiecentrum halen we een plattegrond, en we kunnen op pad. Bardenas Reales is een semi-woestijn gebied. We weten allebei niet zo goed wat we ons hierbij voor moeten stellen. Een woestijn is nu niet de eerste associatie die je krijgt bij Spanje.
Rond half twee rijden we de camperplek op. Het is gewoon een strook grind, waar je gratis mag overnachten, maar het decor is fantastisch. We staan aan de grotwoningen van Arguedas. Er zijn heel veel van deze woningen, maar er is maar een beperkt gedeelte te bezoeken. Vroeger woonden hier mensen die zich geen woning konden veroorloven. Voor we aan de niet zo lange klim naar boven beginnen, zetten we eerst onze stoeltjes in het reepje schaduw naast de bus. Puffend en zwetend, wachtend tot het heetst van de dag voorbij is. We snappen dat ge-siësta van de Spanjaarden wel.
“Wat een grappig uitzicht zo”, zei ik nog, terwijl ik een foto maakte van de weg die voor ons lag. “Net alsof we nergens heen gaan”. We hadden toen nog geen vermoeden van de correctheid van deze beeldspraak.
Veel wakker geworden deze nacht, en niet weten hoe te gaan liggen van de warmte. We hadden voor het slapen gaan het zijraampje al helemaal open gezet. Even later het dakraam. Ergens ’s nachts de schuifdeur ook nog helemaal open, maar het helpt niet veel. We staan vroeg op, en het eerste ezeltje komt ons al goeiemorgen wensen aan de bus. Algauw volgen de andere twee. Ze zijn echt zó leuk!
Vroeg in de avond passeren we dan eindelijk de Spaanse grens, in de regio Navarra. We vinden moeiteloos de camping, en ook hier mogen we zelf een plaatsje gaan uitzoeken. Er zijn nog genoeg lege plekken. We settelen ons op een lege strook met uitzicht op de bergen. De ezeltjes komen eens kijken, maar grazen daarna weer rustig verder.
Door de ochtenddauw is hier alles nat. Het gras, de stoelen, de tafel…. Maar het regent in ieder geval niet meer, dat is al iets. Ik pluk wat bramen uit de heg, zet koffie, laat de afbakbroodjes aanbranden, en we ontbijten op het kleine streepje zon op het gras.