
Luc heeft het koud deze ochtend, en trekt een extra vest aan. Ik vind het met de temperatuur nog wel meevallen eigenlijk. Een jas of iets anders met lange mouwen is overbodig. Ik pak m’n toiletspullen, zuivere kleren en handdoeken in. “Ik wacht wel af wat jij van de douches vindt “, zegt Luc. “Misschien sla ik wel over met deze kou, heb er nu helemaal niet zo’n zin in”. De douches zien er tof uit, in dezelfde stijl als de rest van de camping. Een houten gebouw, een natuurstenen vloer, in ieder hokje hangt een grote regendouche aan een dikke eiken balk. Veel en warm water, het is zalig. Zo’n douche zou ik thuis ook nog wel willen. Als ik terug aan de bus kom, steek ik m’n duim op naar Luc. “Gewoon dóen man, je krijgt er geen spijt van!”
Geloof me, ’t is écht geen leedvermaak hoor, want ik vind het hartstikke sneu. Maar perongeluk schiet ik toch in de lach, als hij het alwéér treft om van een kouwe douche terug te komen, en met een ijzige blik wat vloekt over die rotdouche.
Wel nog even een koffie, maar zonder te ontbijten, rijden we tegen de klok van 12 de camping af. We hebben bijna 100 kilometer te gaan vandaag. Bij gebrek aan het ontbijt nemen we onderweg wat stukjes kouwe pizza van gisteren. Een groot deel van de route is weer prachtig. Al is het soms wel even adem inhouden in die smalle steile bochten langs de rotsen. Het voorspelde slechte weer gaat langzaam over in een zonnige middag. Zo achter glas wordt het zelfs warm, en we hebben nog geen druppel regen gezien. Natuurlijk, als we de volgende camping bereikt hebben, is de zon verdwenen achter de wolken, en staat er een koude wind. Nog wel droog.
De camping valt ons iets of wat tegen. In principe is er niks verkeerds mee. Het is een groot verzorgd terrein, met keurige rijen bomen waartussen de genummerde plaatsen zijn. Aan de andere kant een rijtje met allemaal dezelfde verhuurbungalows. Een receptiegebouw met een, nu verlaten, terras ernaast, en hier en daar wat aanplanting. En dat allemaal samengeteld maakt het net wat te ordelijk naar onze smaak. Maar goed. We kwamen niet voor de camping, we kwamen voor alweer een ander natuurgebied. Het Irati woud in Navarra, een groot en supermooi beukenbos. Volgens de website van de camping liggen ze zowat aan de ingang van het woud. Dat is mooi, want de campings zijn hier niet zo rijkelijk bezaaid, en in de natuurgebieden zelf mag je niet wildkamperen. We melden ons aan, betalen voor één overnachting en vragen waar we dat woud kunnen vinden. Wij zonder Spaans, hij zonder Engels, het communiceert wat moeizaam. Hij rommelt wat in zijn bureau, en we krijgen een afgetekend strookje mee. Een coupon om korting te krijgen in dat woud. Leuk, maar we weten nog niet waar we moeten zijn. Nieuwe poging. Hij begrijpt het, gaat naar achteren, komt terug met een bezem, en wijst daarmee op een plattegrond aan waar we ons nu bevinden, en welke weg we moeten nemen. Ik ben niet zo goed in kaarten, dus typ op m’n telefoon in google vertalen : hoeveel kilometer? Hij vult aan met ’24’. Staan we dan, aan de voet van het Irati-woud. Tis dus maar een kleine 50 kilometer wandelen heen en terug. En dan de kilometers in het bos zelf nog niet meegerekend. We hebben het weer prima gepland, haha.

Dan maar een tripje naar het stadje zelf. Ochagavia heet het. Het is niet zo ver vanaf de camping. Een korte opzoeking op internet leert ons dat dit één van de mooiste stadjes van de Navarrese Pyreneeën moet zijn, met een lange geschiedenis. Dat laatste is snel duidelijk, vooral te zien aan de bestrating en het oude bruggetje. De sfeer is hier heel anders dan in de andere plaatsen die we in Navarra bezocht hebben. Geen aardse kleuren huizen, gemaakt van ruwe rotsige stenen. Hier vind je keurige huizen, soms oud, soms nieuwer, maar allemaal netjes onderhouden. Tuinen, vensterbanken en balkons zijn voorzien van weelderige bloemen. We wandelen wat door de smalle steegjes. Deze steegjes vind ik wel charmant. De algemene indruk van het stadje vind ik maar mwah. Te popperig, te keurig. Geef mij maar gewoon de stoffige authentieke buurten.





Als ’s avonds de zon achter de bergen is verdwenen, is het te koud om nog lekker buiten te zitten. Ik begin met het klaarmaken van het avondeten, en door die 2 gaspitten die branden wordt het behaaglijk warm in de bus. Het worden patatas con ensalada y albóndigas. Het smaakt zoveel beter dan gewoon maar aardappelen met sla en gehaktballen. Ook na de afwas blijven we in de bus. Jammer, we zitten liever buiten, maar het zij zo vanavond. Achtergrondmuziekje, wijntje, spelletje.
