Moeilijke wegen, mooie bestemmingen?

We worden maar langzaam wakker vandaag. We drinken koffie onder ons luifeltje, dat nog helemaal nat is van gisteren. Een waterig zonnetje probeert door te breken, maar het is nog fris. Niets wijst erop dat het vandaag weer heel warm gaat worden.

Nuévales

Het is stipt 12 uur als ik onze overnachting afreken, en we weer verder gaan. De bestemming is Belchite. Een stadje dat tijdens de Spaanse burgeroorlog compleet verwoest werd. De restanten zijn blijven staan, en te bezoeken. Ernaast is het stadje later heropgebouwd.

Het is een tocht van 120 kilometer. De route ziet er allesbehalve saai uit. Het is een aaneenschakeling van wisselende landschappen. Lieflijke olijf- en wijngaarden tegen glooiende heuvels, langzaam overgaand in vlakke en dorre velden, om vervolgens vanuit het niets weer tussen rotsige bergflanken door te rijden. Tussendoor ook nog grote vlaktes met een vreemd soort hobbelig grijswit gesteente vol met gaten. Ik ben nog nooit op de maan geweest, maar in mijn hoofd zou dit een maanlandschap kunnen zijn. Regelmatig verlaten en vervallen boerderijen en huizen, tot soms bijna complete dorpen toe. De laatste 25 kilometer naar het plaatsje is een redelijk smalle en slechte weg. Gelukkig rammelt er niks uit de kastjes.

In het stadje parkeren we de bus op een camperplaats. In een woonwijk is een strook grind voorzien waar 9 campers kunnen staan. Het lijkt redelijk recent aangelegd. De bomen die er staan zijn nog klein, dus schaduw is er niet. We blijven niet overnachten, dus voor nu voldoet het prima. Ik wissel m’n slippers weer voor de wandelschoenen, en Luc wisselt de knop van de koelkast. Van accu naar gas. Tenminste, dat was de bedoeling maar het werkt niet meer. Na tig pogingen geeft ie het op. Dan maar hopen dat de boel dadelijk nog koud genoeg is, als we terugkomen van het oude deel van het stadje. We lopen in de richting waarvan we vermoeden dat het richting centrum is. Je zou denken dat alles hier wel aangegeven staat, maar we mogen het zelf uitzoeken. Uiteindelijk vinden we het toeristisch infokantoor. Hier moet je je aanmelden voor een rondleiding met gids. Het oude stadje is afgesloten, zonder gids is niet de bedoeling. De gids spreekt enkel Spaans. Om 17 uur en om 19 uur is er nog een rondleiding. Helaas heeft het toerisme bureau even siësta, er staat aangegeven dat ze om half 4 weer openen. Wat nu? We wandelen nog wat door het centrum, wat verder niet zo speciaal is. Ik stel voor om ergens te lunchen, maar Luc hoeft niks. Terug naar de camper dan maar, en nog eens de plannen herbekijken. Hier blijven staan is wat mij betreft geen optie. Als de koelkast nog zo’n lange tijd niet werkt op gas, kunnen we morgen de inhoud weggooien. Als we ‘m op de accu aansluiten, kunnen we straks misschien niet meer starten. We staan in de volle zon, er is geen zuchtje wind of streepje schaduw. Tegen dat we een ticket kunnen gaan kopen voor de rondleiding, zijn we op het heetst van de dag. Samen met een verteller die we niet verstaan. We hebben ook helemaal geen zin in een begeleide toer. We zijn verdomme niet op schoolreisje. Rechtevenredig met het stijgen van de temperatuur, daalt mijn humeur.

Beetje doelloos rijden we maar weer verder. In Zaragoza stoppen we bij een benzinepomp voor een ijsje. We checken nog eens onze opties en uiteindelijk kiezen we richting provincie Huesca, nog steeds in regio Aragón. Ik vind het wel wat gecompliceerd zo in Spanje, om al die regio’s en provincies te onthouden. Tegen de avond zoek ik slaapplekken op voor de nacht. De app toont enkele leuke plekjes vlakbij water, maar ze blijken niet zo goed vindbaar. Als we er dan eindelijk toch eentje vinden, is er in het midden van het toegangspad een enorme kuil. We gaan het niet riskeren. Als we hier vastrijden, kunnen we geen kant meer op. “Zoek maar een camping op” zegt Luc. “Hebben we stroom voor de koelkast, staan we goed, en van daaruit morgen verder.”

Rijkelijk bezaaid zijn de campings hier niet. Een dertigtal kilometer verderop zijn er twee. Tijd om uitgebreid de reviews, prijzen, locatie etcetera te vergelijken heb ik niet. Ik moet er snel eentje kiezen, omdat we de richting moeten weten. Ik kies de camping op basis van hun paginafoto die me het meest aanspreekt. Dat de laatste 6,5 kilometers via kleine weggetjes is, is geen probleem, integendeel. Zoals al eens eerder gezegd, dat zijn vaak de leukste weggetjes. Ik kon toen nog niet weten hoe extreem leuk deze route was. De smalle onverharde weg, aangepast aan de berg, slingerde in allerlei bochten omhoog. En dan bedoel ik ook echt hoog. Ik moest er niet aan denken om hier te gaan schuiven, als ik zo uit het raam naar de afgrond beneden me keek. Natuurlijk denk je daar wel aan als je er rijdt. Met één hand stevig m’n deur vastgeklemd, en m’n andere hand als een soort stopteken voor me uitstekend, commandeer ik Luc dat ie zachtjes moet rijden. Luc snauwt terug dat ie wel gas móet geven als we bergop willen raken. De laatste anderhalve kilometer wordt het nog smaller, en is het een pad vol stenen. Alweer vergeet ik foto’s te maken. We zien het eigenlijk niet meer zitten, maar terugdraaien kan hier nergens, we moeten wel door. En hey, er is daar een kampeerplek dus het moet kunnen. Het lukt ook. We zijn opgelucht. En nog eens een tweede keer opgelucht dat er plek is. Het blijkt dat het hier ook enkel geschikt is voor tentjes en busjes, niet voor caravans en grotere campers. We betalen voorlopig voor één nacht. Het is al donker, en we zien amper iets. We zullen morgen wel bekijken of we al dan niet langer blijven. Het is wél een optie. Al is het maar om die terugweg uit te stellen. We parkeren ons busje op de aangegeven plek, en als we uitstappen hebben we allebei effe behoefte aan een knuffel. Trots dat we er geraakt zijn. Ineens leek die kuil in de weg van de vorige plek niet meer zo onoverkomelijk.

Nu zitten we hier. Ongeveer op de top van een berg. Er staat nog ergens een kleine camper, en ergens een tentje. De laatste rode gloed verdwijnt achter een van de tegenoverliggende bergen, en dan is het stikdonker. Ik maak fajita’s, en we trekken een fles benzinepompwijn open. Helaas is deze niet lekker. Te zoet, beetje bubbelig zelfs. Maar het is de enige fles die we hebben, dus we doen het er maar mee. Intussen is het wel een beetje afgekoeld buiten. We pakken er een dekentje bij, en zo zitten we nog een tijdje onder een heldere sterrenhemel. Ze lijken zo dichtbij, en het is alsof we onder een soort koepel van sterren zitten. Te donker voor foto’s. Er is een gezegde dat ongeveer gaat als: moeilijke wegen leiden vaak tot mooie bestemmingen. We zullen het morgen zien.

Plaats een reactie