
Ik lig aan de raamkant, en het eerste wat ik doe als ik wakker word is naar buiten kijken. Het is nog donker, maar vaag zie ik de contouren van de bergen, en een donkere vlakte daar tussenin. Ik sluit nog even mijn ogen, maar slapen lukt niet meer. Buiten beginnen de bergen steeds meer vorm aan te nemen. De donkere vlakte kleurt langzaam blauw. De zon begint op te komen, ik spring uit bed. Nu is dat springen niet echt letterlijk. In feite kruip ik over Luc heen, om dan met m’n benen over het randje bungelend, het afstapje zoekend, naar beneden te glijden.
Ik zet de fluitketel op het vuur, en kleed me alvast halvelings aan. Ik ben nog eens op tijd om de zon te zien opkomen, en ik kan het niet laten om nog wat plaatjes te schieten. Het is waanzinnig mooi hier. En zo ongelooflijk stil. Met mijn koffie ga ik op het hoogste punt aan de rand van de rots zitten. Het water kleurt steeds blauwer onder de zon. Het water is helder. Zelfs vanaf de hoogte waar ik zit, zie je hele scholen vissen zwemmen.


Als Luc ook wakker is verhuis ik met m’n koffie weer naar de bus. Luc heeft een broodje gesmeerd en we ontbijten samen, terwijl we de planning van de dag maken. Allebei hebben we nog niet echt zin om alweer te vertrekken. We zitten hier goed, en ineens staat het idee van dat geplande bezoek aan een klooster, zo’n 10 kilometer verderop, ons niet meer aan. We wandelen hier nog even, drinken weer koffie aan de bus, en schuiven met de schaduw mee.
“Als we nu gewoon eens wat anders opzoeken, een mooi dorp ofzo, en het klooster overslaan?” vraagt Luc. Ik vind het een prima plan. We googlen wat, en denken dat er ongeveer 130 kilometer verder een leuk dorp is. Er zullen dichterbij vast ook wel leuke dorpen zijn, maar we hebben nu eenmaal déze gekozen, dus deze zal het worden. We doen snel de afwas, ruimen de rest in, en we moeten alleen nog maar de coördinaten ingeven op de navigatie. “Maar zouden we niet toch eerst even langs dat klooster rijden” opper ik. “We hebben gisteren al zo’n eind gereden, om er vandaag alvast vlakbij te zijn. Beetje stom om het dan over te slaan, niet?” Enfin. Met frisse tegenzin gaan we dan toch allebei naar het klooster. Het is niet ver rijden, maar de weg er naartoe is kronkelig en steil. Dat zijn de mooiste weggetjes, maar ik vergeet foto’s te maken omdat ik denk dat ik Luc er constant aan moet herinneren voorzichtig te doen.
Als we de parking gevonden hebben, zijn we nog steeds niet zeker of we er wel zin in hebben. Of eigenlijk zijn we wel zeker dat we geen zin hebben, maar we vinden dat we toch moeten gaan. Omdat we er al zijn. We betalen 33 euro voor 2 tickets, en krijgen een plattegrondje met wandelroutes mee. Er is namelijk ook nog een natuurpark wat bij het klooster hoort. Stoer kiezen we de langste route. De route leidt je langs vele watervallen. De ene al indrukwekkender dan de andere. Ik heb er een dubbel gevoel bij. De watervallen zijn natuurlijk super. Het gebied is perfect onderhouden. Wandelpaden, planten, hekjes, trappen,…..alles is mooi aangelegd. Maar dat maakt het voor mij weer net iets te toeristisch, te gemaakt. Maar goed, de wandeling begint mooi. Je bent de ene kletterende waterval nog niet voorbij, of je ziet de volgende al. We beginnen ineens het voordeel van deze activiteit in te zien. Die kleine mistige druppels die rond de watervallen hangen, zorgen voor wat verkoeling. Dat hebben we wel nodig, want de route wordt steeds uitdagender. Hoog klimmen, grote stenen treden op en af…… af en toe sta ik stil en haal ik mijn camera boven. Niet altijd omdat ik het nu echt perse wil vastleggen. Meer een verkapte manier om even onopvallend terug op adem te komen.





Had ik tevoren precies geweten waar ik aan begon, had ik de korte route gekozen. Niet voor de afstand, of de hoogtes, maar voor de tunnels door de rotsen. Ik hou er niet van om me opgesloten te voelen. Er branden wel lampjes, maar ik vind het helemaal niks. Natte traptreden, soms redelijk steil naar beneden en naar boven. Koude natte muren waar ik me zoveel mogelijk aan wil vasthouden, maar die me niet geruststellen. Eruit wil ik, en snel. Helaas werken mijn knikkende knieën niet mee, en ga ik traag. Opgelucht als ik er uit ben. Weer zenuwachtig bij de volgende. Heb amper foto’s gemaakt op die plekken, het moge duidelijk zijn waarom.






Ook hier is het water ongelooflijk helder. De reflecties van de bergen zijn schitterend, en de krabben en kreeften zien we gewoon op de bodem liggen.


Ondanks dat het maar een route was van 5 kilometer, hebben we er toch 2 uur over gedaan. Mijn kuiten vinden het ook wel weer goed genoeg voor vandaag, maar we moeten de rondleiding in het klooster nog gaan doen. Vooruit dan maar. Aan de ingang wil ik onze tickets tonen, maar ik kan ze niet meer vinden. Ik had ze toch echt zeker weten in mijn linkerachterbroekzak gestoken. Ik voel in elke broekzak, dubbel. Ik check mijn portemonnee en heuptasje. Niks. Ik moet ze ergens onderweg verloren zijn, waarschijnlijk op één van de vele momenten dat ik het plattegrondje nodig had. Die in diezelfde linkerachterbroekzak stak. We druipen af, maar dan ziet Luc een stukje verderop onze tickets op het pad liggen. Rechtsomkeert dus, en nu kunnen we wel binnen. Je moet de pijlen op de grond volgen. Degene die er werkt meldt dat er overal op de bordjes uitleg ook een Engelse versie staat. Aandachtig lees ik de eerste zin van het eerste bordje, iets met jaartal elfhonderd en nog wat. Degene die er werkt is dan weer uit zicht, ik volg de pijlen zonder de rest te lezen. Deze route kunnen we een heel stuk sneller. Een paar kiekjes, omdat we het wel knap vinden dat ze bijna duizend jaar geleden beter waren in constructies optrekken dan nu, maar het interesseert ons verder eigenlijk bitter weinig. Het straalt ook niks uit waardoor je er meer van wilt weten. Dat we het warm hebben en een beetje moe zal ook wel meespelen. We kijken elkaar aan, en weten van elkaar dat we er wel klaar mee zijn. Als twee rasechte cultuurbarbaren bereiken we in record tempo de uitgang.




Terug op de parking lijkt het ons het beste om voor vannacht een camping te zoeken. We willen douchen. Het is een kort tripje naar de eerstvolgende camping. Dezelfde slingerweg, maar nu naar beneden. Een vriendelijk meisje aan de receptie meldt dat er genoeg plek is, en dat we zelf mogen kiezen waar we gaan staan. En ohja, als we een acsi campingpasje hebben , dan krijgen we korting. “Ja heb ik, momentje”. Na portemonnee en handtas omgekiept te hebben nog steeds geen pasje. Daar gaan we weer. “Morgen is ook goed”, zegt het meisje. Gelukkig vind ik later, na alles ondersteboven gehaald te hebben, het pasje terug. Achterin het dashboardkastje. We parkeren de bus op een plekje. Druk is het niet. Er is regen en onweer voorspeld, dus we zetten voor het eerst in deze vakantie de luifel uit. Kunnen we in ieder geval nog buiten eten.

We zijn juist klaar met eten als het stevig begint te gieten. Een magere straatkat komt eens kijken aan de bus, en we zetten een pannetje overschot buiten. Hij/zij verorbert het helemaal en vertrekt weer. “Nog koffie?” vraagt Luc, terwijl ie al opstaat. ‘Tuurlijk”. Luc stapt de bus in, en net op dat moment kan de luifel het aan één kant niet meer houden. Bijna als een waterval, om maar in het thema van vandaag te blijven, gutst het over zijn helft van de tafel en stoel. Had ik nu maar gewoon gezegd dat ik geen koffie hoefde he.
De douches zijn serieus verouderd en lelijk. Even vrezen we dat het warme water op is. Het duurt lang voor het geen koude straal meer is, maar dan hebben we ook wel echt een goeie hoeveelheid warm water. Het is intussen gestopt met onweer en regenen. Fris gewassen, naar shampoo en zeep ruikend, drinken we nog een rosé. Of twee. Buiten is alles nat nu. Het is niet erg, morgen weer droog en 29 graden volgens de voorspelling. Vanavond dan maar lekker knus binnen zitten.